dinsdag 16 september 2014

Weinreb-uitgever op tiplijst AKO Literatuurprijs

Afgelopen vrijdag is de tiplijst van de AKO Literatuurprijs bekend gemaakt. Van Maarten Asscher is de bundel Appels en peren. Lof van de vergelijking geselecteerd. In mijn studie Onder een massa schijn bedolven schrijf ik over dit boek.

Appels en peren bevat ondermeer een beschouwing over de beroemde Leidse hoogleraar Rudolph Pabus Cleveringa. Uiteraard staat Maarten Asscher stil bij de bekende protestrede van Cleveringa tegen het ontslag van Joodse hoogleraren in november 1940. Hij besteedt ook aandacht aan het naoorlogs protest van Cleveringa tegen de herbenoeming bij de Hoge Raad van een raadsheer die tijdens de bezetting is benoemd en met de bezetter heeft gecollaboreerd. In zijn beschouwing prijst Asscher Cleveringa’s scherpe oordeelsvermogen en zuivere rechtsgevoel. Wat Asscher in zijn beschouwing niet vermeldt, is dat Cleveringa na de bezetting nog eens in het openbaar heeft geprotesteerd.

Wanneer Friedrich Weinreb in 1969 zijn memoires Collaboratie en verzet publiceert, zijn er nogal wat personen die zich niet kunnen herkennen in de wijze waarop zij in het boek worden beschreven. Een van die personen is Jentinus ter Heide. Hij is tijdens de bezetting als bibliothecaris werkzaam in de Scheveningse gevangenis en ontdekt daar dat Weinreb voor de Sicherheitsdienst werkt. Hij legt hier na de bezetting een verklaring over af. In Collaboratie en verzet wordt Ter Heide door Weinreb afgeschilderd als een agressieve antisemiet die voor de Duitsers werkt. Dit wekt grote verontwaardiging bij veel verzetsmensen die tijdens de bezetting in Scheveningen gevangen hebben gezeten en veel aan Ter Heide te danken hebben. In persoonlijke brieven en ook in de pers protesteren zij tegen Weinrebs beweringen. Een van hen is Ruldolph Pabus Cleveringa. Terecht wordt in het Weinreb-onderzoek uit 1976 van het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (RIOD) dan ook gesteld dat de door Weinreb ten nadele van Ter Heide gedane kwalijke mededelingen lasterlijke verzinsels zijn. 

In 1988, twaalf jaar na de publicatie van het onderzoek, publiceert Weinreb in Duitsland het boek Die Haft. Geburt in eine neue Welt. Erinnerungen 1945 bis 1948. Een jaar later verschijnt bij Weinrebs Nederlandse uitgever Meulenhoff een vertaling onder de titel De gevangenis. Herinneringen. 1945-1948. Het boek kan worden opgevat als het vervolg op Collaboratie en verzet. Weinreb beschrijft wat hem tijdens zijn naoorlogse detentie overkomt. Ook geeft hij zijn visie op het onderzoek van het RIOD, waarbij hij niet ingaat op de inhoud, maar wel de auteurs ervan in een kwaad daglicht probeert te stellen. Ook herhaalt Weinreb verschillende beschuldigingen die hij eerder in Collaboratie en verzet heeft geuit. Jentinus ter Heide wordt bijvoorbeeld opnieuw afgeschilderd als een antisemitische meeloper van de Duitsers. Hoewel Cleveringa niet persoonlijk wordt genoemd, zal het duidelijk zijn dat hij door Weinreb tot de ‘bekende Nederlanders’ wordt gerekend die het voor Ter Heide hebben opgenomen. Op het omslag suggereert Weinrebs uitgever dat Weinreb het slachtoffer is geworden van een hetze. Die uitgever is niemand minder dan Maarten Asscher.

De uitgave van De gevangenis wordt door Asscher verdedigd omdat hij Weinrebs boek een interessant geschrift vindt waarvan de publieke beschikbaarheid gerechtvaardigd of zelfs geboden is.  Hij vindt het blijkbaar niet nodig om aan Weinrebs lasterlijke tekst een kritisch commentaar toe te voegen. Ook heeft hij er geen enkele moeite mee om dertien jaar na de publicatie van het Weinreb-onderzoek een boek uit te geven waarin dat onderzoek zonder behoorlijke argumentatie wordt aangevallen. Op het omslag van De gevangenis wordt Collaboratie en verzet bovendien een ‘uiterst beklemmend boek’ over de bezettingstijd genoemd. Het is uitgerekend dit leugenachtige geschrift waar Cleveringa zo tegen geprotesteerd heeft. Op de lezer die op de hoogte is van de feiten maakt Asschers latere beschouwing over Cleveringa dan ook een onvolledige en zelfs onwaarachtige indruk.

Het lijkt me wenselijk dat de jury van de AKO Literatuurprijs het bovenstaande in overweging neemt bij het samenstellen van de toplijst die op 26 september bekend gemaakt zal worden. Het zou jammer zijn wanneer opnieuw een Weinreb-verdediger een literaire onderscheiding zou ontvangen. Dat is in het verleden helaas al veel te vaak gebeurd.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen